Ooipoortstraat

zaterdag 5 april 2014

Yvette Nagel Seirawan

Yvette Nagel
een hobby, een beroep, een beleid
Ik moet ongeveer zes of zeven jaar geweest zijn toen ik het schaakspel van mijn vader leerde. Ik kan me niet echt goed herinneren wanneer dat was, maar ik weet wel dat mijn vader op zondagmiddag het boekje Oom Jan leert zijn neefje schaken van Max Euwe erbij haalde en daaruit voorlas. We speelden samen de partijen en voorbeelden na. Na afloop van de ‘les’ mocht ik dan probleemstellingen oplossen. Dat ging niet altijd even goed. Eén herinnering staat me bij, ik moest mat in twee zien te vinden. Dat lukte niet en ik werd al snel ongeduldig. Mijn vader probeerde me op zijn goed bedoelde manier te stimuleren en merkte op dat het probleem zo sim­pel was dat elke sukkel het kon oplossen. Het had een averechts effect. De stukken vlogen door de kamer en dat was het einde van die sessie.
Het had gemakkelijk het einde van mijn schaakcarrière kunnen zijn. Maar het enthousiasme van mijn vader had een verslavende uitwerking. We woonden toen in een klein dorp, Hoevelaken, dat nog geen schaakclub had. Mede op initiatief van mijn vader werd in 1972 het Hoevelakense Schaakgenootschap (hsg) opgericht. Ik was met mijn zeven jaar het jong­ste lid. De clubavonden waren een feest. Ik mocht later naar bed dan an­ders en bovendien werd ik door mijn volwassen mannelijke tegenstanders altijd getrakteerd op een glaasje cassis en een plak kandijkoek. Ik ging dus graag naar de club.
Naast het schaken had ik nog twee passies: turnen en zwemmen. In 1974 had mijn vader me opgegeven voor een tweedaags schaaktrainingskamp in Papendal. Toen ik ontdekte dat daar hard geturnd werd, wist ik niet hoe snel ik er na afloop van de training heen moest rennen om de acrobatische verrichtingen te volgen. Ik had grootse fantasieën, het schaken nam daar­binnen maar een bescheiden plaats in.
Op mijn lagere school werd er ook actief geschaakt. Op zaterdagochtend werden schaakcursussen en -competities verzorgd door leden van het hsg en de onderwijzers. Je kreeg eerst les voor het Pionnen-, Toren- of Konings- diploma (de officiële papieren van de Koninklijke Nederlandse Schaak­bond) en daarna speelde je een competitiepartij.
Toen ik dertien jaar was verhuisde ons gezin van Hoevelaken naar Hilversum. Een totaal nieuwe periode brak aan, een andere middelbare school, nieuwe klasgenoten en vriendinnen. De interesse voor het schaken was plotseling verdwenen en ik wilde geen lid meer zijn van een schaak­club.
Dit veranderde op slag toen ik maanden later mijn broertje Iwan op een donderdagavond van de jeugdafdeling van de schaakclub De Pion moest afhalen. Er waren veel jeugdleden waaronder een paar jongens van mijn middelbare school die ik wel leuk vond. Ik werd meteen uitgedaagd voor een potje. Natuurlijk kwamen we veel te laat thuis, maar dat had gelukkig geen consequenties. De vernieuwde interesse in het schaken had wel ge­volgen.
Ik mocht uitkomen in de jeugdteams en ik kwalificeerde mij voor het Nederlands Meisjeskampioenschap. Elke school ziet graag zijn naam ver­bonden aan positieve resultaten. Mijn resultaten verschenen met enige re­gelmaat in de lokale krant, inclusief de vermelding dat ik een leerlinge was van het Hilversums Gymnasium. Gratis reclame voor mijn school en ik vond dus dat ik daar van moest profiteren. Mijn spijbelcarrière werd voortaan aan het schaken gerelateerd: ik kan die en die les niet volgen want ik moet schaken. Het werkte perfect!
In 1981 werd ik Nederlands Meisjeskampioen. Als beloning mocht ik twee jaar later deelnemen aan het wereldkampioenschap voor meisjes in Mexico Stad. Ik nam het schaken serieus, trainde veel, maar beschouwde het toch ook als een uniek uitje. Wij (deelneemsters en trainers) waren onderge­bracht in een hotel midden in Mexico Stad. De speelzaal was in een kloos­ter ergens in de bergen op ruim een uur rijden. Dagelijks werden we met een bus vervoerd die in Nederland onmiddellijk van de weg zou worden gehaald. De rookwolken van de motor sloegen naar binnen toe en de deur was een niet bestaand item. Toch overleefde het gevaarte alle dertien ron­den. Het klooster zelf was prachtig, het was er alleen berekoud. De Mexicaanse afgevaardigde was een mooie dame die altijd in een dun bloesje speelde en drommen fans om zich heen verzamelde. Haar schoon­heid leverde geen prijs op. Die eer, gecreëerd op het bord, viel aan mij. Het was een leerzaam evenement, en ondanks een goede start was de elfde plaats mijn eindresultaat.
In 1983 was ik lid van de commissie damesschaak van de knsb. Deze commissie stelde een beleidsplan op om het schaken onder meisjes en vrouwen te stimuleren en de bestaande schaaksters voor het spel te be­houden. In 1983 startte de AVRO het radioprogramma Denksport Panorama. Samen met grootheden als Rob Clerc (dammen) en Carol van Oppen (brid­ge) mocht ik wekelijks een column en een schaakprobleem verzorgen. Deze ervaring gaf mij later de gelegenheid om met regelmaat schaakver- slaggeving voor nos Langs de Lijn te doen en onder andere grootmeester Jan Timman op zijn smalle pad naar het wereldkampioenschap te volgen.
Van je hobby je werk maken, dat leek me wel wat. Kort nadat ik in 1988 mijn studie Communicatie Wetenschappen aan de Universiteit van Amster­dam had afgemaakt, ontmoette ik mijn huidige echtgenoot, het kon bijna niet anders, in de schaakwereld. Ik verhuisde naar Amerika waar hij net een uitgeverij en het schaakblad Inside Chess had opgericht. Het spelen van het spel zelf werd meer en meer vervangen door uitgebreidere journa­listieke bezigheden en organisatorische zaken. Vandaag de dag houd ik me daar nog steeds mee bezig. En eigenlijk heb ik een unieke positie in de schaakwereld waar het opbouwen van een bestaan al moeilijk is voor veel mannen.

Schaken wordt toch nog steeds gezien als een mannensport


In 1982 wilde ik meespelen bij de jeugdkampioenschappen van de Stichts Gooise Schaakbond, omdat ik bij de meisjes nauwelijks tegenstand onder­vond. Het verzoek werd afgewezen omdat de reglementen het niet toe­stonden. Een jaar later kon men wel aan mijn wens tegemoet komen omdat er niet voldoende aanmeldingen waren!

Ik ben nooit zo’n voorstander geweest van aparte mannen- en vrouwen­toernooien. Ik ben veel gemotiveerder en speel veel beter tegen iemand van de andere sekse. Alhoewel ik me wel kan voorstellen dat het voor veel vrouwen intimiderend kan zijn om tussen al die mannen te moeten scha­ken, is het toch gek dat er voor het schaken (een niet-fysieke sport) zoveel aparte competities zijn. De bridgesport, bijvoorbeeld, is veel geïntegreer- der en de kreet ‘vrouwen kunnen niet bridgen’ wordt veel minder gehoord.
Op de vraag ‘waarom schaken er relatief zo weinig vrouwen’, is een van de veel gehoorde antwoorden dat het te maken heeft met traditie. Mannen schaken nu eenmaal veel langer dan vrouwen en vrouwen hebben dus een achterstand. Bovendien is schaken geen vrouwensport.


Als je Geschiedenis van het schaakspel deel 2 van Silbermann en Unzicker er op naleest, blijkt dat het schaken vroeger een spel was dat wijdverbreid en misschien veel verbreider was dan nu. ‘In de Middeleeuwen schaakten de vrouwen even enthousiast als de mannen, hetgeen aan de hand van oude documenten en vooral de literatuur van de Late Middeleeuwen kan wor­den aangetoond.’ Maar aan het einde van de zestiende eeuw, toen de schaak- theorie zijn intrede deed en het fenomeen ‘beroepsschaker’ zich ontwik­kelde, vielen de vrouwen buiten de boot. Het was te gevaarlijk. ‘Vrouwen vonden toen geen gelegenheid zich het spel eigen te maken, dat steeds meer aan inhoud won. Naarmate het schaken zich tot een wetenschap ont­wikkelde, werd het, overeenkomstig de geest der tijd, een mannenaan­gelegenheid. Niet omdat vrouwen minder scherpzinnig zouden zijn, maar omdat geleerde vrouwen niet in het tijdsbeeld pasten en slechts de lachlust opwekten. Het “schone” geslacht moest lieflijk en naïef zijn.’ (Silbermann & Unzicker, p. 94). Schaken was te verstandelijk en het sierde het vrouwe­lijke geslacht niet aan wedijverende activiteiten deel te nemen.

Een daaraan verbonden probleem werd dat vrouwen geen toegang had­den tot de speciale clubs die in de loop der jaren werden opgericht. Pas in 1886 merkt Wilhelm Steinitz in het meinummer van The International Chess Magazine op dat in Turijn vrouwen toegang krijgen om de club te bezoeken en deel te nemen aan toernooien. Steinitz spreekt de wens uit dat de Amerikaanse schaakclubs dit voorbeeld zullen volgen. ‘This is as it should be, and we hope that this example will be followed by other chess socie- ties, it being evident that, if we engage the queens of our hearts for the queens of our boards and if we can enlist the interest of our connubial mates for our chessical mates our intellectual pastime will be immensely benefited and will pass into universal favor.’ (R.J. McCrary).

Toch waren er al vrouwentoernooien. Het eerste toernooi kwam in 1866 in Londen van de grond en Engeland bleef jarenlang het toonaangevende land wat betreft het vrouwenschaak. Op 22 juni 1897 vond het eerste inter­nationale vrouwentoernooi in de Engelse hoofdstad plaats. Vrouwen­schaakclubs werden een modeverschijnsel en aan het eind van de negen­tiende eeuw waren er clubs te vinden in onder andere Londen en New York.
De eerste vrouw die in de schaakwereld furore maakte en bewees dat vrouwen wel degelijk in mannelijke competities konden meedraaien, was Vera Mencik. Geboren in Moskou in 1906, leerde ze het spel op negenjari­ge leeftijd van haar Tsjechische vader. In 1921 verhuisde Vera naar het ge­boorteland van haar moeder en belandde in Hastings. Ze werd een pupil van Geza Maroczy die ook de latere wereldkampioen Max Euwe trainde.
Zes jaar later, in 1927, organiseerde de wereldschaakbond (fide) het eer­ste wereldkampioenschap schaken voor vrouwen. Vera Mencik veroverde die titel overtuigend en bleef zeventien jaar lang wereldkampioene totdat zij in 1944 bij een bombardement op Londen om het leven kwam. Als schaakprofessional gaf ze tijdens haar korte leven ook schaakles, lezingen en simultaans en runde tevens tot 1939 het National Chess Centre.
In 1929 raakte de wereldkampioene in opspraak toen ze een uitnodiging voor het befaamde toernooi in Karlsbad accepteerde. Het was een beledi­ging voor de traditionele mannenorde. Albert Becker, een Weense schaak­meester, was zo verbolgen dat hij voorstelde dat iedereen die van Mencik verloor, lid moest worden van de Vera Mencik Club. Het was gewoon on­denkbaar om van een vrouw te verliezen. Becker was een van de eersten die zich als lid van de Mencik Club aandiende. Ook Max Euwe werd een trouw lid van haar club.
Alhoewel de fide al vanaf 1927 schaakolympiades organiseerde, duurde het tot 1957 voordat de eerste olympiade voor vrouwen in Emmen plaats­vond. De deelnemende landen vaardigden twee deelneemsters en een re- servespeelster af (in 1976 werd dit drie speelsters en een reserve) en zij streden om de Vera Mencik-cup. Beginnend met eenentwintig vrouwente­ams in 1957, is dat aantal gegroeid tot 72 vrouwenteams tijdens de olym­piade in Elista in 1998. Het grootste aantal deelnemende teams was tijdens de olympiade in Moskou 1994 - 81 teams. Vrouwen konden pas groot­meester worden nadat in 1977 de titel was ingevoerd, voor mannen be­stond die titel al sinds 1950.
In Nederland zijn er diverse activiteiten voor het meisjes- en vrouwen­schaak. Er zijn regionale en nationale kampioenschappen in diverse leef­tijdscategorieën. Er zijn schaakcursussen op school, in buurthuizen, clubs en op tv en vele clubs kennen speciale jeugdafdelingen.
Beginjaren negentig werd geprobeerd met geld van het toenmalige wvc- ministerie mannelijke sporten als rugby, biljarten, schaken, touwtrekken en schieten populair te maken. De sportbonden kregen subsidie om speci­ale projecten op te zetten zodat meer vrouwen zich voor hun sport zouden gaan interesseren. Toen in 1995 de balans werd opgemaakt bleek dat de biljart- en de rugbybond veel nieuwe vrouwelijke leden telden. Bij de schaakbond was het streven om vrouwen te interesseren in de schaaksport totaal mislukt: niet meer dan twee vrouwelijke leden meldden zich aan bij een schaakclub (J. Brouwer de Koning). Schaakverenigingen was gevraagd bijeenkomsten voor vrouwen te organiseren, waarvoor zij een financiële tegemoetkoming konden krijgen. Ongeveer vijfenzeventig vrouwen na­men een jaar deel aan de clubjes, daarna ebde het enthousiasme weg. Een bijkomend probleem was en is dat het niveau van een beginnende schaker niet aansluit op het niveau van schaakclubleden. Integratie binnen de schaakclubs voor deze beginnelingen is een noodzaak. Hoewel vele clubs jeugdafdelingen kennen waar les wordt gegeven en een aparte competitie hebben, ontbreekt een soortgelijke opzet voor volwassenen.
De knsb is, zolang ik mij kan herinneren, op papier bezig om het vrou­wenschaak te stimuleren. Naar aanleiding van de indrukwekkende presta­tie van het Nederlands vrouwenteam op de schaakolympiade in Elista (een vierde plaats) zijn extra trainingen georganiseerd om het niveau te hand­haven c.q. te verhogen. Het initiatief is er om jonge meisjes te stimuleren via extra titels en bekers. Het kampioenschap van Nederland tot twaalf jaar wordt in een gemengde groep gespeeld. En talentvolle schaaksters kunnen een door het noc*nsf erkende A- of B-status krijgen waardoor zij voor extra begeleiding en financiële steun in aanmerking komen.
Ondanks alle goede bedoelingen en initiatieven van de knsb, blijft het aantal geregistreerde en georganiseerde schaaksters evenwel bedroevend laag (zie de tabel op pagina 49).
Van de ‘denksporten’ lijkt de bridgebond de uitzondering die de regel bevestigt, met een bijna 50-50 man/vrouw verhouding.
Alle sporten met elkaar vergelijkend, komt de noc*nsf over 1998 tot de volgende conclusies: Van 80% van de leden is het bekend of het mannen of vrouwen zijn. De verhouding mannen/vrouwen is in totaal 64:36 (bij de junioren 61:39 en bij de senioren 66:34). Het totaal aantal vrouwen is in 1998 gedaald, het aantal mannen daarentegen gestegen.
De schaaksport zit met zijn 5% vrouwen dus ruim onder het gemiddel­de. Ook in de Verenigde Staten is dit het geval, daar is iets meer dan 7% van de leden vrouw. De Amerikaanse schaakbond heeft ongeveer 84.000 leden, waarvan 78.020 mannen en 5.980 vrouwen (gegevens uscf). Vol­gens de Amerikaanse kampioene Anjelina Belakovskaia zijn er slechts drie landen waar het aantal schakende vrouwen vrijwel gelijk is aan dat van de mannen, te weten Hongarije, Oekraïne en China. Het is dan ook geen toe­val dat deze drie landen uitstekende vrouwelijke vertegenwoordigsters in de schaakwereld hebben, met uit Hongarije de drie zusjes Polgar, uit de Oekraïne Alisa Galliamova en uit China de huidige wereldkampioene Xie Jun en de nu in Nederland wonende Zaoquin Peng. Als een land maar ge­noeg speelsters heeft, dan komen de sterke speelsters ook wel.
Maar het kan ook anders. Voetbal is toch niet een typische vrouwensport. De Volkskrant van 21 juni 1999 meldt dat in Amerika het vrouwenvoetbal bijzonder populair is, 40% van het competitievoetbal wordt door vrouwen gespeeld. Dit percentage is hoger dan in vele andere landen, in Nederland is dit bijvoorbeeld slechts 6,3%.
De grote vrouwelijke Amerikaanse belangstelling voor deze tak van sport leidde tot de volgende uitspraak van Sepp Blatter, voorzitter van de wereldvoetbalbond fifa: ‘De toekomst van het voetbal is aan de vrouwen.’ (De Volkskrant, 21 juni 1999)
Al jaren wordt er gespeculeerd en gedebatteerd over de vraag waarom er zo weinig vrouwen schaken. Misschien is het de tijdsduur en de con­centratie die voor veel vrouwen niet op te brengen is. Opmerkingen als ‘schaken is net zoiets als verf zien opdrogen’ zijn niet onbekend.

Ook voor niet-schakende vrouwen kan de tijdrovende bezigheid van hun partner slecht te verkroppen zijn. De Belgische kunstenaar Marcel Duchamp scheen in 1927 de eerste week met zijn nieuwe bruid door te brengen met de bestudering van schaakproblemen. Zijn vrouw, in een wanhopige poging om iets van de wittebroodsweken te redden, stond midden in de nacht op toen Duchamp vast in slaap was en lijmde de schaak­stukken aan het bord vast. Ze waren drie maanden later gescheiden.
Naast de traditionele kanten zijn er de sociale aspecten. Schaken zou een mannensport zijn en dus worden meisjes hier van huis uit niet warm voor gemaakt. Schaakclubs zijn vaak niet vrouwvriendelijk. In de puberteit, en ook op latere leeftijd, haken veel vrouwen af die vroeger wél enthousiast waren. School, werk en/of huiselijke omstandigheden geven hun weinig mogelijkheden om door te gaan met schaken. De geringe financiële zeker­heid die het schaken biedt, stimuleert niet tot een professioneel bestaan op hoog niveau.

De knsb had in 1998 moeite om voor het Nederlands dameskampioen- schap tien deelneemsters te vinden en overtrad voor die ene keer haar eigen reglementen door een in Nederland woonachtige buitenlandse speel­ster tot het nk toe te laten. In 1999 hoopte de schaakbond via een knock- out formule een groter aantal vrouwen achter het bord te krijgen. De aan­geschreven vrouwen hebben laten weten enthousiast te zijn over de nieu­we formule, maar vrouwen met kleine kinderen of een baan houden de voor het nk op te nemen vakantiedagen liever voor de familie beschikbaar.


Het nk voor heren heeft hier veel minder mee te maken, daar zijn de deel­nemers over het algemeen profspelers. De vrouwen blijven in een soort vi­cieuze cirkel gevangen: ze schaken weinig, het niveau blijft laag, waardoor ze geen steun krijgen en het niet interessant is om veel te spelen.
De financiële compensatie maakt het vaak onaantrekkelijk voor vrouwen om zich serieus op het schaken toe te leggen. Het wereldkampioenschap in 1997/98 had een totaal prijzenfonds van 5 miljoen dollar. Tegelijkertijd werd er een vrouwenkandidatentoernooi gehouden dat een prijzenfonds had van slechts 25.000 dollar. Vergelijk dit eens met een snelschaakevene- ment voor journalisten tijdens de WK-finale in Lausanne dat een prijzen­geld kende van 50.000 dollar!
Eén van de redenen voor Zsuzsa Polgar om haar titel als wereldkampi­oene niet te verdedigen was dat het in de reglementen vastgestelde mini­mum bedrag van 200.000 dollar niet bijeengebracht kon worden.
Dit is in de tenniswereld toch wat anders, daar is het prijzengeld van de vrouwen bijna net zo hoog als dat van de mannen. Een evenement als Wimbledon kent voor de mannelijke winnaar een bedrag van 455.000 En­gelse pond en voor de winnaar onder de vrouwen 409.500 pond.
Aan de publiciteit hoeft het niet liggen, een toernooi met Judit Polgar trekt publiek en de media aan. In het verleden gingen dames als Pia Cramling en Nona Gaprindasvili haar voor. Tien jaar geleden zou het nog ondenkbaar zijn dat vrouwen ‘mannen’-toernooien winnen. Maar met rol­modellen als de zusjes Polgar zie je toch meer succesvolle schaaksters naar voren komen, zoals Henriëtte Hunt in Engeland, Irina Krush in Amerika en Bianca Muhren in Nederland.
En dan is er misschien de verrassende niet-traditionele en niet-sociale reden waarom er minder vrouwen zouden schaken. Een artikel getiteld ‘Roles of Men and Women in Chess’ door Scott Chiou en Professor Frankel maakt gewag van het hormooneffect. Het hormoon testosteron is gerela­teerd aan agressiviteit en wordt meer geproduceerd door mannen dan door vrouwen. Het artikel beschrijft een onderzoek waaruit geconcludeerd kon worden dat wanneer mannen een uitdaging voor ogen staat, hun testoste- ronniveau omhoog gaat ter voorbereiding van de competitie. Het hogere gehalte aan testosteron versterkt het dominante gedrag en helpt in het win­nen van de wedstrijd. Het testosterongehalte bij volwassen mannen schijnt ongeveer tien keer zo hoog te zijn als bij vrouwen. Het lagere testosteron­gehalte bij vrouwen en daarmee de mindere drang tot agressiviteit en com­petitie, zou kunnen verklaren waarom de schaaksport door mannen wordt gedomineerd. Een mooie uiteenzetting die mijns inziens op vele sporten van toepassing is.


Maar ik heb nu wel een reden gevonden om het jammer te vinden dat de schaaksport recentelijk is toegelaten tot de ioc. Immers, schakers kunnen nu onderworpen worden aan dopingcontrole. Ik had anders graag alle vrouwen opgeroepen om meteen hun testosterongehalte zodanig te verho­gen, dat we wereldkampioen in alle categorieën worden en op die manier alle vooroordelen de wereld uit helpen.